De titel in kwestie is natuurlijk Kiln, een game waarin wezens onder begeleiding van de godin Celadon het tegen elkaar opnemen in zogenaamde Quench Matches. Dit zijn gevechten waarin teams van vier ieder een magische oven bewaken, terwijl ze tegelijkertijd pogen die van het andere team te doven. Wie hier als eerste drie keer in slaagt, is de winnaar.

Wie het kleine niet eert
De gimmick hiervan is dat de wezentjes in kwestie niet zelfstandig water kunnen vervoeren. Dat lukt immers niet echt met enkel je handen, wat dan ook de reden is dat wij dingen als glazen, emmers en flessen gebruiken. In Kiln gebruikt men keramieken potten, maar dan wel net even op een andere manier dan wij. De wezentjes nemen het namelijk over en plots rent zo een pot met armen en beentjes door het level heen.
Deze potten zijn de hele gimmick van Kiln. Spelers worden geacht ze zelf te bakken en dingen als hun vorm en grootte beïnvloeden hoeveel water een pot kan dragen, hoe snel het breekt en ook waar die wel en niet kan bewegen. Je door kleine gangetjes navigeren terwijl je een gigantisch stuk gebakken klei bent, gaat je bijvoorbeeld niet lukken, hoeveel water je ook bij je draagt. Soms kan een kleiner potje daardoor veel handiger zijn. Hiermee experimenteren is best vermakelijk, vooral wanneer je net de ideale pot voor je volgende match blijkt te hebben gemaakt.

Humble beginnings
Omdat je van tevoren niet weet op welke map je gedropt wordt, mag je drie van zulke potten meesleuren. Je zou denken dat dit soms wat weinig is als je allerlei situaties het hoofd wil kunnen bieden, maar in het huidige stadium is dat dik in orde. Kiln heeft namelijk maar vijf maps, dus dat is makkelijk te overzien. Tegelijkertijd is het ook wel erg karig. Ik heb een paar uur gespeeld, maar was er eigenlijk al na het eerste uur op uitgekeken.
Meer maps zijn in aantocht, er staan er op dit moment drie op de roadmap, maar dit is slechts een kleine troost. Met hoe simpel de gameplay is en hoe kort matches duren, had het aantal maps bij launch al minimaal verdrievoudigd moeten zijn om het interessant te houden. Het is ook niet alsof de maps bijster groot zijn, dus dat we ze letterlijk op één hand kunnen tellen is best wel kwalijk te noemen. Vooral als je bedenkt dat dit géén free-to-play-titel is, maar je twee tientjes kost. Daarvoor verwacht ik toch wel wat meer dan hier geboden wordt.
Conclusie:
Met een multiplayer-titel laat Double Fine zich voor het eerst meer zien als een studio die je bij Microsoft verwacht. Maar tegelijkertijd laat het ook zien dat het geen Psychonauts of Keeper is, waarbij de vreemdheid een zekere charme heeft. Daarvoor is het totaalpakket gewoon te karig, zelfs als de core gameplay loop nog redelijk vermakelijk is.







Reacties (0)
Deel je mening over dit artikel met andere GameQuarter-lezers
Plaats een reactie