Van een rustige start tot micromanaging
Mijn eerste uren met The Wandering Village voelen vertrouwd en misschien zelfs een beetje nostalgisch. Net zoals bij klassiekers zoals Age of Empires, Age of Mythology of Cossacks, begin je met enkele villagers die je meteen aan het werk zet om je nederzetting uit te bouwen. Het grote verschil met die titels: je hoeft je geen zorgen te maken over vijandige legers die je werk komen verwoesten. Deze game draait puur om opbouw, optimalisatie en, afhankelijk van je keuzes, samenwerken met Onbu.
Onbu beweegt zelfstandig door de wereld en eet of slaapt wanneer hij daar zelf behoefte aan heeft. Later kun je hem commando’s geven, zoals gaan liggen of eten, zodat je niet telkens pauze moet houden wanneer hij zelf iets lekkers ziet onderweg. Op bepaalde momenten kun je bepalen welke richting Onbu uitgaat, bijvoorbeeld om een gevaarlijke regio te vermijden, een interessante locatie te bezoeken of om de reis makkelijker te maken. Als Onbu je vertrouwt, volgt hij meestal je instructies. Wil je hem toch dwingen, dan is dat mogelijk, maar dit veroorzaakt pijn bij Onbu en leidt tot een vertrouwensbreuk.
Hoewel het spel aanvankelijk rustig aanvoelt, introduceert het gaandeweg steeds meer obstakels. Poison clouds vervuilen je Air Wells (die water uit de lucht halen), fungus spores nestelen zich op Onbu’s rug en tasten je gewassen aan, en naarmate de dagen verstrijken, wordt resource management belangrijker én moeilijker. Hout en steen op Onbu’s rug zijn eindig, waardoor je na verloop van tijd afhankelijk wordt van expedities naar de grond of van technologische upgrades.
Reacties (1)
Deel je mening over dit artikel met andere GameQuarter-lezers
Plaats een reactie